Rustplaats

Rustplaats

‘Nou, dat wordt nog lastig om een mooi plekje te vinden,’ zegt Ed, als hij binnenkomt.

Hij is naar de begraafplaats geweest. Voor Ed is het duidelijk: hij wil, als de tijd daar is, heel graag onder de Franse zoden en dan specifiek in ons dorp. Gek genoeg ben ik in al die jaren nog niet één keer op de begraafplaats geweest. Terwijl ik toch dol ben op begraafplaatsen.

Als klein meisje ging ik het liefst op zondagochtend in mijn eentje naar de begraafplaats niet ver van ons huis. Ik zette mijn lichtblauwe meisjesfiets in het fietsenrek en liep dan met een thuis-voor-de-spiegel-geoefende-intens-verdrietige-blik de prachtig begroeide begraafplaats op. In de hoop dat bezoekers zouden denken dat ik net iemand verloren had. Mijn moeder bijvoorbeeld. Of allebei mijn ouders. En doe, om het fantasiedrama compleet te maken, mijn broers er ook nog maar bij. Ah, wat zielig voor dat meisje. Rolt daar niet een traan over haar wang?

Naast mooi verdrietig lopen ging ik ook altijd op zoek naar ‘zerken met een verhaal.’ Stellen die vlak na elkaar overleden waren, vast omdat de één niet zonder de ander kon leven. Of een zerk waar iemand van mijn leeftijd onder lag. Ik stelde me dan voor dat ik daar zou liggen. Wie zou zich huilend op mijn verse graf gestort hebben? De knapste jongen van de klas waar iedereen verliefd op was? Of toch die ene die mij wel leuk vond maar ik hem niet zo?

Op vakantie in het buitenland bezoek ik ook graag begraafplaatsen. Hoe zuidelijker je komt, hoe meer pracht en praal er te vinden is. Zerken met een zwart-wit forever young foto uit de glorietijd van de overledene vind ik prachtig. Net als Mariabeelden en voor altijd bloeiende fopbloemen van porselein of zijde.

Maar op ‘onze’ begraafplaats was ik dus nog steeds niet geweest. Tot een paar dagen geleden. Ik wilde wel eens zien waar mijn man bedacht had te gaan liggen. Nou, ik geef hem geen ongelijk. We hebben een kleine, intieme en ommuurde begraafplaats die vanaf de weg schuin afloopt naar het dal waardoor je een schitterend uitzicht hebt op de tegenoverliggende heuvel met velden, grote bomen en een enkel huis.

Op de begraafplaats bevinden zich vooral caveaus; brede, soms hoge, marmeren bovengrondse tombes. De caveaus dragen familienamen die me allemaal bekend voorkomen. Het zijn de namen van de bewoners uit het dorp. Bijna nergens staat er wie er precies ligt en sinds wanneer. Bovenop staan porseleinen en marmeren bordjes met teksten als: vaarwel lieve moeder, we missen je tante, dag lieve broer of geliefde zus, rust zacht oom en voor altijd in onze herinnering, onze lieve grootmoeder.

De caveau communal, het gemeentegraf, heeft eigenlijk de beste plek: de hoge tombe staat direct bij binnenkomst langs de kant van de weg en heeft een weids uitzicht over de hele begraafplaats, dal en heuvel.

In een hoekje van de begraafplaats zie ik opeens een verloren zerk staan. Het is een oude steen van een echtpaar dat twee jaar na elkaar overleden is. Vast omdat de een niet zonder de ander kon. Het zijn Engelsen. Dus dan zijn wij, buitenlanders, ook welkom. Dat is een geruststellende gedachte.

Ondertussen heb ik tussen twee tombes een mooie open plek gespot. Groot genoeg voor een flinke grafzerk. Ernaast bloeit al een mooie roos en de ligging is pal in de zon. Dat zou iets voor Ed kunnen zijn. Voor over hopelijk-nog-heel-veel-jaar.

Oh, en in leven en dood, ik ga waar Ed gaat.