Le restaurant, deel 5
337
post-template-default,single,single-post,postid-337,single-format-standard,bridge-core-1.0.5,ajax_fade,page_not_loaded,,vertical_menu_enabled,qode-title-hidden,qode_grid_1300,side_area_uncovered_from_content,qode-content-sidebar-responsive,qode-theme-ver-18.1,qode-theme-bridge,disabled_footer_top,disabled_footer_bottom,qode_header_in_grid,wpb-js-composer js-comp-ver-6.0.2,vc_responsive
Le restaurant, deel 5

Le restaurant, deel 5

Dorpsrestaurant Bistro 24 was vorige zomer een hit. Het had verrassend goed en lekker eten, het zat elke middag en avond vol, het had een moderne chef, leuke bediening en het was ook nog eens betaalbaar. Had. Zat. Was. Want de jonge chefkok en zijn vriendin, die in de bediening stond, zijn terug naar Engeland en ook nog eens uit elkaar. Dus runt haar moeder, de oorspronkelijke eigenaresse, de tent. Gelukkig maar, want een dorp zonder café of restaurant is een dood dorp.

Een week of wat geleden werd er moules frites en Rock-A-Billy aangekondigd; wat mij betreft sowieso een win-wincombinatie. Een uitgelezen moment om weer eens naar het restaurant te gaan. En zoals dat gaat in een klein dorp, de geruchtenmachine had ons al van alles ingefluisterd over het reilen en zeilen van het restaurant. De belangrijkste roddel: het zou op sterven na dood zijn want er zat nooit iemand.

On verra’, zei ik vol goede moed tegen Ed.

We besluiten extra vroeg naar het restaurant te gaan, mocht er inderdaad niemand op zijn komen dagen of de band afgezegd zijn, dan hebben we nog genoeg tijd om naar een ander restaurant te rijden. We kijken elkaar aan als we de hoeveelheid geparkeerde auto’s bij het restaurant zien en de niet te missen live muziek horen, we blijven vanavond in het dorp.

Binnen is het al lekker druk, aan de bar hangen onze houtbevoorrader met zijn vrouw, de burgemeester zonder vrouw en een oude Fransman die ik wel herken maar niet direct kan plaatsen. Totdat hij bijna in een hoestbui blijft, dan weet ik het weer. Bij het Fête de la Victoire heeft hij door de hele Marseillaise heen staan rochelen en spugen. Die dus.

Naast de Franse dorpelingen zie ik een Engels gezelschap en een paar Hollanders.

We bestellen een aperitief bij een Nederlander achter de bar – die ik, ook al is het hoogzomer, heel zachtjes een kerstliedje hoor zingen – en wachten af. De kok komt ook even achter de bar staan om voor zichzelf een groot glas water in te schenken. Dat is overigens niet waar hij hier in de regio om bekend staat; water drinken. Hij runde jarenlang een kroeg een paar dorpen verderop en dronk liever zelf zijn voorraad op dan dat hij zijn clientèle wat schonk. Uiteindelijk zat hij vaker in een kliniek dan in zijn eigen café. Dat café heeft hij dus niet meer. Hij heeft ook geen vrouw meer. Maar wel werk, als kok in ons dorpsrestaurant.

We gaan op zoek naar onze tafel. Alle tafels hebben een leitje waar namen op staan. Het is even zoeken maar dan vind ik ‘m: Eo en Anke. Ach ja, we hebben ook lastige namen, al zijn deze twee varianten nieuw voor mij.

De Fransen zijn dol op moules frites a volonté en er zit dan ook zo’n vijftig man in het restaurant. De bakken mosselen en frites blijven maar uit de keuken komen. De Nederlandse barman voorziet – I’m dreaming of a white christmas zingend – de tafels van drankjes. De sfeer is gemoedelijk en de laatste tafels op het terras zijn nu ook bezet.

Terwijl de band lekker door Rock-A-Billy’t krijgen wij een volle bak mosselen en een schaal patat. Eo, tegenover mij aan tafel, is deskundoloog wat mosselen betreft. Hij groeide op in de buurt van mosselland België en ook Yerseke werd regelmatig, speciaal in het mosselseizoen, bezocht. Eo vindt de mosselen van vanavond niks. Ze zijn volgens hem niet goed gekookt, de kwaliteit is ‘kut’ en de smaak houdt ook niet over. Hij heeft een punt. Als ik denk aan de mosselen in Saint-Laurent-la-Vallée loopt het water me zo weer in de mond, in dat restaurant moest ik me beheersen om niet de schaal met het kookvocht aan mijn mond te zetten. Die behoefte heb ik vanavond niet.

Aan alles merk je dat dit restaurant maar een of twee keer in de maand opengaat en dat er dan alleen eenpansgerechten worden geserveerd: paella, een stoofschotel, moules frites of de fish-and-chips-caravan staat voor de deur.

Maar dat kan mij allemaal he-le-maal niks schelen. Want de sfeer is fijn. De tent zit vol. De live muziek is goed. En gelukkig schenken ze een paar wijnen die goed te doen zijn. Dus ik vind dat we het aan onszelf verplicht zijn om naar le restaurant te blijven gaan. Want een dorp zonder restaurant is een dood dorp. Dan eten we voortaan maar wat minder en drinken we wat meer. Vind ik geen straf.